Ouderdomsaandoeningen

Antwoord op al uw vragen

GLUCOSE

Glucose is een suiker. Men vindt glucose in voeding, ofwel in geïsoleerde vorm (als één enkele eenheid) of samengevoegd in een lange keten van meerdere miljoenen glucose-eenheden. Dat kan bijvoorbeeld het zetmeel in granen zijn.

De enkelvoudige glucose is de meest efficiënte brandstof voor de lichaamscellen. Alle organen, alle weefsels, kortom, alle cellen in ons lichaam gebruiken die om te overleven. De glucose is afkomstig van aanmaak door de lever ofwel uit onze voeding. Glucose circuleert voortdurend in het bloed om de cellen te voeden.

GLYKEMIE

Glykemie is de bloedglucosespiegel. Die bloedglucosewaarde is op de nuchtere maag normaal 80 mg/dl (4,5 mmol/l) bloed en rond de 150 mg/dl (7 mmol/l) na de maaltijd voor een persoon zonder diabetes. Glykemie wordt dus geregeld in het bloed om niet onder bepaalde waarden te vallen en om niet boven andere uit te komen.

Glykemie kan bepaald worden in een laboratorium na een bloedproef. Maar ze kan ook gemeten worden door diabetici zelf. Op welke manier? Dankzij een glucosemeter en teststrips waarop men een druppeltje bloed doet.

HYPERGLYKEMIE

Het gaat om een verhoging van de bloedglucosespiegel ten opzichte van normale waarden. Zo is glykemie op de nuchtere maag boven de 110 mg/dl (> 6,1 mmol/l) een gematigde hyperglykemie. De diagnose van diabetes wordt gesteld voor een nuchtere glykemie boven de 126 mg/dl (7 mmol/l).

HYPOGLYKEMIE

Het gaat om een verlaging van de bloedglucosespiegel onder de normale waarden. We spreken van een hypoglykemie bij bloedsuikerwaarden beneden 60 mg/dl (5,5 mmol/l).

GLYCOSURIE

Als men suikers vindt in de urine, dan spreekt men van glycosurie.

GLUCOSURIE

Als men suiker vindt in de urine en die suiker is zeker glucose, dan spreekt men van erlucosurie.

INSULINE

Insuline regelt de bloedglucosewaarden.

Insuline is een eiwit, meer specifiek een hormoon, aangemaakt door het lichaam, hormoon wordt uitgescheiden door enkele cellen van de alvleesklier.

De belangrijkste taak van insuline is het verhinderen dat de bloedglucosespiegel stijgt en die te laten zakken als hij de neiging heeft te stijgen: het is een antihyperglykemiehormoon.

Een normaal lichaam scheidt voortdurend een kleine hoeveelheid insuline af, 24 uur op 24. Tijdens een maaltijd heeft de bloedsuikerspiegel de neiging te stijgen. Gevolg: insuline wordt onmiddellijk uitgescheiden door het lichaam. Men spreekt dan van een endogene insulineafgifte.

ALVLEESKLIER

De alvleesklier is een klier die de vorm en de grootte van een tong heeft. De alvleesklier bevindt zich in de buikholte, achter de maag, tussen de ingewanden.

Zijn functie? De klier scheidt een sap af met ontelbare enzymen. Dat sap verspreidt zich in het spijsverteringskanaal om zich daar te mengen met voedingsstoffen om de vertering op gang te brengen. De alvleesklier scheidt ook, en ditmaal rechtstreeks in het bloed, hormonen af zoals insuline en glucagon. Meer precies, de endocriene cellen die insuline afscheiden, worden insulineafscheidende bètacellen genoemd. Ze worden samengevoegd met andere endocriene cellen die andere hormonen afscheiden zoals glucagon. Alle endocriene cellen samen, te vinden in het midden van de alvleesklier, worden de eilandjes van Langerhans genoemd, naar de naam van de wetenschapper (Paul Langerhans) die ze ontdekt en beschreven heeft.

GLUCAGON

Zoals we al eerder gezien hebben, scheiden de eilandjes van Langerhans insuline en glucagon af. Dat hormoon is een soort tegengif van insuline. Het werkt precies het tegenovergestelde als insuline. Het laat immers de bloedglucosespiegel stijgen als die de neiging heeft te dalen. Glucagon is dus het antihypoglykemiehormoon, terwijl insuline het anti-hyperglykemiehormoon is.

KOOLHYDRATEN

Koolhydraten zijn suikers. Ze komen voor in voedsel in de volgende twee vormen:

  • ten eerste als enkelvoudige koolhydraten: ze hebben een zoete smaak; men treft ze aan in vruchtensuikers (of fructose), sucrose, glucose (of druivensuiker)
  • ten tweede als koolhydraten zonder suikersmaak. Dat is het geval bij zetmeel dat men aantreft in brood, deeg, rijst, peulvruchten en zetmeelhoudende stoffen in het algemeen.

De van oorsprong voedingskoolhydraten laten de bloedglucosespiegel stijgen: ze laten insuline afscheiden door het lichaam telkens als dat nodig is. En eenmaal verteerd veranderen al die koolhydraten (om in het bloed terecht te komen) in enkelvoudige suikers om direct te worden gebruikt of om opgeslagen te worden in het lichaam in de vorm van een ander koolhydraat of vet.